Zuchtende werkmannen

Zuchtende werkmannen

Het is 6 maart 2006, 07.10 uur en het sneeuwt. De bel gaat. Dat is voor ons het startsein voor het herstel van de vergane glorie van de voormalige notariswoning. We zijn zenuwachtig. Allang voordat de wekker afliep, draaiden Mart en ik onrustig heen en weer op ons slappe tweepersoons luchtbed in één van de kamers die over enkele maanden onderdak gaat bieden aan onze gasten.
Het is voorbij met de cafébezoeken waar we met alle locals praatten over wie een goede timmerman kent, wie een goede loodgieter en wie de beste schilder. Het plan voor de brandveiligheid ligt klaar, de onderhandelingen zijn gedaan in ons beste Frans en we zijn eruit: de regie voeren we zelf. Regie over professies en professionals die we niet kennen. Maar met onze opgedane kennis van het behalen van resultaten, motiveren, stimuleren en vergadertechnieken, denken we een heel eind te kunnen komen.

Leven als bouwvakkers
Ik bekijk Mart op zijn eerste werkdag als bouwvakker. Oude jeans, petje op en comfortabele schoenen. Ik schiet van de zenuwen in de lach en denk aan mijn hoge hakken en mantelpakken die in verhuisdozen op zolder zijn opgeslagen. Voorlopig ga ik door het leven als bouwvakker. Ik heb één spijkerbroek en die moet de hele verbouwing mee. Samen hebben we één koffer met een ‘nette’ broek, wat truien en t-shirts een paar oude handdoeken en een toilettas. De mijne mét mascara en alles wat ik toch de gehele verbouwing aan make-up zal gebruiken, inclusief parfum. Ik heb er op die zesde maart nog geen notie van hoe graag ik mezelf al heel snel in een mooie rok met kousen wil hijsen en op sjiek uiteten wil.

Breken met beleid
Het zijn de timmermannen. We zeggen keurig ‘bonjour’ en ‘bienvenue’ en omzeilen met ze de emmers in de hal die de druppels van de lekkages van de –letterlijk- natte ruimten op de eerste verdieping moeten opvangen. Onder een kop koffie lopen we de hele werklijst met ze door en met welke klus we willen beginnen. Eén van hen begint al snel te zuchten dat het veel werk zal zijn. Hij zegt het niet één keer, maar wel acht keer en ik krimp in elkaar. We kennen ze allemaal, de horrorverhalen over wat er allemaal níet gebeurt tijdens een verbouwing in het buitenland en wie er allemaal níet komen opdagen. Maar kom op Monique, verman ik mezelf, het is pas dag één. Geef die mannen een kans.
Ze beginnen met het betere hak- en breekwerk van wanden die de grote hal weer in originele staat moeten terugbrengen. Daarna is de wand tussen de werkkamer van de notaris en die van de klerken aan de beurt. Mart hakt en breekt mee. Ik durf niet goed, want hakken en breken moet met beleid gebeuren wil je niet de originele decoraties kapotmaken. In de keuken gaat het er wat ruiger aan toe, maar daar kunnen we ook niets aan verprutsen.
Ik besluit boodschappen te gaan doen. Goed voor bouwvakkers zorgen is misschien wel een dagtaak op zich. Met een boodschappentas vol plastic bekers, plastic roerstaafjes, pakken koffie, veel suikerklontjes en koffiemelk doe ik de voordeur open. Ik sta ineens in een grote hal, de muur is er al uit. Ik krijg moed. Het gaat ons lukken. En in een moordend tempo ook nog.

Achteraf gezien was dat een belangrijk moment. Ik kreeg er zin in. Mart deed het al prima in zijn nieuwe functie als stagiair timmerman. Maar waar bleven de anderen? Waar waren de loodgieters, de elektriciëns en iedereen die we nog meer nodig hadden? We moeten door. We moeten open.

Monique van Schijndel, maart 2006