Durven doen

 Hoera! Het is tijd voor de afdeling Styling. Mijn favoriete thema van de verbouwing van L’Auberge du Notaire. Iedere keer als ik puin ruimde uit de vertrekken, keek ik aandachtig rond. Of ik ging, als alle werklui weg waren, frisgewassen in het halfdonker in een van onze toekomstige gastenkamers zitten. Alsof er geen rotzooi bestond, geen dikke stoflagen en geen gereedschap. Ik ruimde zo’n kamer zelfs op, haalde er een bezem door, wat natuurlijk nog meer stof gaf. Ging op de plekken staan waar ik het bed waande en keek welk licht wanneer door de ramen in de kamer viel. Alsof ik er zelf logeerde, net een douche had genomen en me gast voelde van L’Auberge du Notaire. Wat zou ik dan willen? Heb ik het lef om écht te doen wat ik zelf zou willen? Nee dus. Althans, in eerste instantie niet. Want er komen vast niet allemaal Monique van Schijndels logeren bij ons. Dus het moet niet te gek worden. Al houd ik wel van gek, of liever gezegd: van verrassend anders.

Anders dan anderen
Wekenlang hebben Mart en ik met alle kleurenkaarten door het huis gelopen. Maar wat vond ik het moeilijkmoeilijkmoeilijk. Omdat ik kleuren ging kiezen voor onze toekomstige gasten, wist ik het niet meer. Maar gelukkig hebben we Benoît. Benoît is onze benjamin als het om de finishing touch gaat; het schilderwerk. We hebben zijn telefoonnummer overgeschreven van een aanplakbiljet. Met zijn offerte bracht hij verse croissants mee en al kauwend op de lekkerste croissants van het dorp legde hij ons zijn cijfers uit. Ik was snel om. Hij was leuk, fris en ook al verstond ik hem niet zo goed; hij had ideeën. Het was Benoît die ons het juiste duwtje in de rug gaf: ‘jullie wonen en werken hier. Jullie willen het cachet van het  gebouw behouden én jullie hebben een bijzondere logeerfilosofie; jullie gasten komen bij jùllie logeren! En dus moet het jùllie huis zijn, met jùllie smaak.’ Dank je wel Benoît, en eindelijk durfde ik te doen wat ik wilde: anders dan anderen zijn. 

Benoît bezig met barcode

Benoît bezig met barcode

Leer-werkplaats
Schilderen kan zo moeilijk niet zijn, dat deed ik vroeger gewoon zelf in huis, samen met mijn vader. Terwijl Mart al helemaal bij de elektriciteit- en timmerploeg hoorde, was ik blij dat ik ook een leer-werkplaats had gevonden bij de schilders. Ik stond al helemaal in de steigers om de kleuren op de muren te smeren, maar al gauw was ik een illusie armer. Benoît en zijn ploeg verschenen al in de eerste week van de verbouwing om het oude behang te verwijderen. Ik dus ook. Daarna de boel wassen met ammoniak. Ik dus ook. En er waren kamers bij die door de notaris en zijn vrouw als salons werden gebruikt. Vooral in die ruimten was het vies. De privé-salon was het ergst. Die privé-salon zou de slaapkamer worden van Mart en mij. In de bijna dertig jaar dat de notaris en zijn vrouw in het huis woonden, hebben ze flink zitten roken in die privé-salon. Maar ik had zoveel vertrouwen in onze Benoît dat hij dat vast wit zou krijgen. Alleen kon ik me daar nog geen voorstelling van maken. Samen met mijn nieuwe collega’s stond ik op een trap om dat plafond te wassen met ammoniak. Na vijf keer vegen, moest ik het water/ammoniakmengsel al vervangen. En na een uur vond ik het niet meer leuk. Nog negen gastenkamers te gaan, een kantoorruimte, een bar, een eetkamer, een hal, een seminarruimte, een keuken, een bijkeuken, een trappenhuis en een toilet. Me er gemakkelijk vanaf maken, ging niet. Dat had Benoît snel door en dan moest het opnieuw.

Na het ammoniakwerk smeerden de schilders alle scheuren dicht, daarna weer schuren, daarna weer smeren en dat ging zo maar door. Dat deed ik dus niet. Ik was er voor het stagiairwerk: schuren en wassen met ammoniak. Ik had al snel in de gaten dat het overige werk maar beter door de profs gedaan kon worden. Nooit gedacht dat het werk van een schilder bestaat uit negentig procent voorbereiding en tien procent kleurtjes schilderen. En eerlijk gezegd, vind ik alleen dat laatste leuk.

Pijn aan mijn ogen
Maar na al dat gewas, geschuur en gesmeer, was het tijd om het plafond te schilderen. Het viel het niet mee om de vettigheid en de nicotine er goed onder te krijgen. Maar met verf waar een speciale isolatiecomponent in zat, bleef het gele weg. Het plafond werd zo wit dat het bijna pijn deed aan mijn ogen. En ik dacht: als hij dít kan, dan heeft deze Benoît van Dooren nog een hoop andere mogelijkheden. En dat was het moment waarop onze ideeën verder vorm kregen. Het zijn ideeën die uiteindelijk maken dat het interieur van L’Auberge du Notaire verrassend anders is.

Monique van Schijndel, mei 2006