Strippen bij de notaris

Ik heb een haat-liefdeverhouding met de notaris. Hij is weliswaar overleden, maar zijn aanwezigheid is onmiskenbaar. Hij doemt vooral voor me op als ik probeer de nicotine van de houten lambriseringen af te krabben. Of als we met werkmannen door het huis lopen, het leidingwerk bekijken en zeggen: de notaris was radin – gierig. Dus enerzijds houd ik van die man. Omdat hij nooit een cent aan het gebouw uitgaf, hebben wij het kunnen kopen en zit er sinds 1978 overal maar één laag behang op de muren. Ik houd ook veel van hem als ik in de wijnkelders kom. Die zijn goed voor een opslag van een dikke duizend wijnen én ze zijn prima qua temperatuur. Helaas heeft de weduwe van de notaris de voorraad overgeheveld naar haar nieuwe huis, waar wij er af en toe één leegdrinken met haar. Stiekem heb ik wel eens sarcastisch op de notaris geproost als ik met een glas wijn probeerde de rotzooi te vergeten. ‘Bedankt Alain, kijk jij maar eens goed hoe wij van jouw kot ons kasteel L’Auberge du Notaire gaan maken’.

Heel veel lekkages

Anderzijds haat ik de notaris. Door naar men zegt wel geld uit te geven aan sterrenrestaurants en de beste wijnen, zitten wij met een ketel die meer dan dertig jaar oud is, stookolie drinkt alsof het ranja is en die nooit door de keuring van de brandweercommandant komt. Met een elektriciteitsnetwerk waarvan ik de draden niet durf aan te raken. En met lekkages. Heel veel lekkages. Zo dachten we dat het bad in de ‘groene badkamer’ functioneerde. Terwijl ik bezig ben het stof van mijn lijf te spoelen, gilt Mart dat ik accuut de kraan moet dichtdraaien. De hele keuken stond blank. En dan háát ik de notaris!

Gelukkig kwam onze loodgieter. Hij brak de vloer rondom het bad open zodat hij bij de leidingen kon. Hij keek mij aan en ik wist dat het niet goed was. Hij begon onbedaarlijk te lachen en hield twee uiteinden van leidingen omhoog. Niet eens aan elkaar gelijmd en van een materiaal dat zelfs voor de oorlog zeldzaam was. Hij moest op zoek naar een speciaal soort lijm voor dat spul en dat kon wel even duren, want ook dat was uiteraard al jaren geleden uit de handel genomen.

Onze eigen milieustraat

Mijn angst voor niet opdagende werklui blijkt vooralsnog ongegrond. Na enkele dagen met alleen maar timmermannen over de vloer, begonnen uit het niets ook de elektricien, de loodgieter en de schilder met het strippen van het gebouw. We hadden ook échte strippers, niet zo mooi als die van tv, maar die van het échte werk. Met enorme klopboren en ander groot materieel gingen zij aan de slag met het maken van gaten in muren waar deuren naar de nieuwe badkamers moesten komen. Onze toekomstige bar werd een ware milieustraat, de tijdelijke opslag van de rotzooi. En de hal: dat was het magazijn voor de loodgieters, de timmermannen en de elektriciëns. Wel handig dat ’s nachts daar de accu’s van de machines stonden op te laden. Op die manier hadden we rode en groene lichtjes in de hal (de overige elektriciteit werkte niet meer) die ons begeleidden om in de kelder water uit de hoofdkraan te halen om koffie te zetten.

Ik leerde inmiddels dat de strippers goed konden afbreken, maar niet konden opruimen. Dus ik begon samen met Mart vanaf de 2e etage de rotzooi naar beneden te sjouwen. Bakstenen, hout, oude –ontkoppelde- elektriciteitsleidingen, toiletten, wastafels en badkuipen. De strippers zochten aan het einde van de dag het in hun ogen nog bruikbare materiaal uit in de ‘milieustraat’. Ze vertrokken met aanhangers die bijna door hun assen zakten. Met pijn in mijn hart namen ze ook de asbak-op-voet mee die in het toilet van de notaris zelf stond. Daar rookte hij kennelijk de ene sigaret na de andere –nergens was het plafond zó geel-. Maar ik denk dat de notaris keek en zag dat het goed was.

Monique van Schijndel, maart 2006